Staatsbedrijf N v Heuvel Vastgoed BV - Rechtbank Rotterdam Zaaknummer C-10-663610 - HA ZA 23-689 (Crescent; National Iranian Oil Company (NIOC)) - Dutch - 23 July 2025
Country
Year
2025
Summary
Inhoudsindicatie: Conservatoir en executoriaal beslag op pand in Rotterdam dat eigendom is van een Iraans staatsbedrijf. Openbare veiling. Veilingkoper verwerft het pand. Het Iraanse staatsbedrijf, N, vordert van de veilingkoper teruglevering van het pand. N beroept zich op immuniteit van executie. Volgens N is het beslag daarom nietig en dus ook de eigendomsoverdracht aan de veilingkoper. De rechtbank oordeelt dat een veilingkoper er in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat wat hem via een executieveiling wordt geleverd ook daadwerkelijk zijn eigendom wordt. Vorderingen afgewezen.
Crescent, een contractuele schuldeiser van het Iraanse staatsbedrijf [staatsbedrijf N] , begon een arbitrageprocedure tegen [staatsbedrijf N] in Engeland. Dat leidde tot een arbitraal vonnis van 27 september 2021, waarin [staatsbedrijf N] werd veroordeeld tot betaling van $ 2.673.297.000 aan Crescent. Op 20 mei 2022 werd door Crescent conservatoir beslag gelegd op een pand van [staatsbedrijf N] in Rotterdam. Crescent kreeg vervolgens van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis. In opdracht van Crescent werd het pand verkocht op een openbare executieveiling op 20 april 2023. Heuvel bracht het hoogste bod uit en verkreeg het pand.
In deze zaak vordert [staatsbedrijf N] van Heuvel levering en teruggave van het pand. [staatsbedrijf N] beroept zich op het rechtsbeginsel van immuniteit van executie. Volgens [staatsbedrijf N] werd het pand namelijk gebruikt voor openbare diensten van de staat Iran. Daarom was het beslag op het pand volgens [staatsbedrijf N] nietig en dus ook de eigendomsoverdracht van het pand aan Heuvel.
In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat een veilingkoper er in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat wat hem via een executieveiling wordt geleverd ook daadwerkelijk zijn eigendom wordt. De vorderingen van [staatsbedrijf N] worden dus afgewezen. Het antwoord op de vraag of er immuniteit van executie rustte op het pand kan dus in het midden blijven.
