Etrak Insaat Taahhut ve Ticaret A.S. v De Staat Libië, Libyan Foreign Investment Company (Lafico), The National Oil Corporation (LNOC), Libyan Foreign Bank (LFB) - Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba - Zaaknummer CUR2024H00013 - Dutch - 28 April 2026
Country
Year
2026
Summary
Curacao. Immuniteit van executie. Arbitrale uitspraak kan niet worden erkend. Geen vereenzelviging van vennootschappen met staat Libie. Artikel 19 VN Verdrag immuniteit 2004. Artikel 15bis Algemene bepalingen der wetgeving van Curaçao. Internationaal gewoonterecht c.q. ongeschreven internationaal publiekrecht. Goederen door de vreemde staat gebruikt of bestemd voor andere dan publieke doeleinden. Stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vatbaarheid voor beslag en executie rusten op de schuldeiser die beslag legt of wil leggen op goederen van de vreemde staat.
...
PART IV. STATE IMMUNITY FROM MEASURES OF CONSTRAINT IN CONNECTION WITH PROCEEDINGS BEFORE A COURT
Article 18. State immunity from pre-judgment measures of constraint
No pre-judgment measures of constraint, such as attachment or arrest, against property of a State may be taken in connection with a proceeding before a court of another State unless and except to the extent that:
a) the State has expressly consented to the taking of such measures as indicated:
(i) by international agreement;
(ii) by an arbitration agreement or in a written contract; or
(iii) by a declaration before the court or by a written communication after a dispute between the parties has arisen; or
b) the State has allocated or earmarked property for the satisfaction of the claim which is the object of that proceeding.
Article 19. State immunity from post-judgment measures of constraint
No post-judgment measures of constraint, such as attachment, arrest or execution, against property of a State may be taken in connection with a proceeding before a court of another State unless and except to the extent that:
a) the State has expressly consented to the taking of such measures as indicated:
(i) by international agreement;
(ii) by an arbitration agreement or in a written contract; or
(iii) by a declaration before the court or by a written communication after a dispute between the parties has arisen; or
b) the State has allocated or earmarked property for the satisfaction of the claim which is the object of that proceeding; or
c) it has been established that the property is specifically in use or intended for use by the State for other than government non-commercial purposes and is in the territory of the State of the forum, provided that postjudgment measures of constraint may only be taken against property that has a connection with the entity against which the proceeding was directed.
Article 20. Effect of consent to jurisdiction to measures of constraint
Where consent to the measures of constraint is required under articles 18 and 19, consent to the exercise of jurisdiction under article 7 shall not imply consent to the taking of measures of constraint.
Article 21. Specific categories of property
1. The following categories, in particular, of property of a State shall not be considered as property specifically in use or intended for use by the State for other than government non-commercial purposes under article 19, subparagraph (c):
a) property, including any bank account, which is used or intended for use in the performance of the functions of the diplomatic mission of the State or its consular posts, special missions, missions to international organizations or delegations to organs of international organizations or to international conferences;
b) property of a military character or used or intended for use in the performance of military functions;
c) property of the central bank or other monetary authority of the State;
d) property forming part of the cultural heritage of the State or part of its archives and not placed or intended to be placed on sale;
e) property forming part of an exhibition of objects of scientific, cultural or historical interest and not placed or intended to be placed on sale.
2. Paragraph 1 is without prejudice to article 18 and article 19, subparagraphs (a) and (b).
()
Article 25. Annex
The annex to the present Convention forms an integral part of the Convention.
()
Annex to the Convention
Understandings with respect to certain provisions of the Convention
The present annex is for the purpose of setting out understandings relating to the provisions concerned.
()
With respect to article 19
The expression "entity" in subparagraph (c) means the State as an independent legal personality, a constituent unit of a federal State, a subdivision of a State, an agency or instrumentality of a State or other entity, which enjoys independent legal personality.
The words "property that has a connection with the entity" in subparagraph (c) are to be understood as broader than ownership or possession.
Article 19 does not prejudge the question of "piercing the corporate veil", questions relating to a situation where a State entity has deliberately misrepresented its financial position or subsequently reduced its assets to avoid satisfying a claim, or other related issues.
Met als Nederlandse vertaling:
DEEL IV. IMMUNITEIT VAN STATEN VAN DWANGMAATREGELEN IN VERBAND MET GEDINGEN VOOR DE RECHTER
Artikel 18. Immuniteit van staten van conservatoire maatregelen
Tegen eigendommen van een staat mogen geen conservatoire maatregelen worden getroffen, zoals beslag of zekerheidsstelling in verband met een geding voor een rechter van een andere staat, tenzij en voor zover:
a. de staat uitdrukkelijk heeft ingestemd met het nemen van maatregelen als vermeld:
i. in een internationale overeenkomst;
ii. in een arbitrageovereenkomst of in een schriftelijke overeenkomst; of
iii. in een verklaring voor de rechter of een schriftelijke mededeling na het ontstaan van een geschil tussen de partijen; of
b. de staat eigendommen heeft aangewezen of gereserveerd ter voldoening van de vordering die onderwerp is van dat geding.
Artikel 19. Immuniteit van staten van executiemaatregelen
Tegen eigendommen van een staat mogen geen executiemaatregelen worden getroffen zoals beslag, zekerheidsstelling of executie in verband met een geding voor een rechter van een andere staat, tenzij en voor zover:
a. de staat uitdrukkelijk heeft ingestemd met het nemen van maatregelen als vermeld:
i. in een internationale overeenkomst;
ii. in een arbitrageovereenkomst of in een schriftelijke overeenkomst; of
iii. in een verklaring voor de rechter of een schriftelijke mededeling na het ontstaan van een geschil tussen partijen; of
b. de staat eigendommen heeft aangewezen of gereserveerd ter voldoening van de vordering die onderwerp is van dat geding; of
c. vastgesteld is dat de eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en zich bevinden op het grondgebied van de staat van het forum, met dien verstande dat executiemaatregelen uitsluitend mogen worden getroffen tegen eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen het geding zich richtte.
Artikel 20. Gevolgen van instemming met rechtsmacht ter zake van dwangmaatregelen
Voor zover instemming met de dwangmaatregelen uit hoofde van de artikelen 18 en 19 vereist is, behelst instemming met de uitoefening van rechtsmacht uit hoofde van artikel 7 geen instemming met het nemen van dwangmaatregelen.
Artikel 21. Specifieke categorieën van eigendommen
1. Met name de volgende categorieën van eigendommen van een staat worden niet aangemerkt als eigendommen die in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden uit hoofde van artikel 19, onderdeel c:
a. eigendommen, met inbegrip van banktegoeden, die worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik bij de uitoefening van de taken van diplomatieke vertegenwoordigingen van de staat of zijn consulaire posten, speciale missies, vertegenwoordigingen bij internationale organisaties of delegaties bij organen van internationale organisaties of bij internationale conferenties;
b. eigendommen met een militair karakter die worden gebruikt of beoogd zijn voor de uitoefening van militaire taken;
c. eigendommen van de centrale bank of een andere monetaire autoriteit van de staat;
d. eigendommen die deel uitmaken van het cultureel erfgoed van de staat of van zijn archieven en die niet te koop worden aangeboden of beoogd zijn om te koop te worden aangeboden;
e. eigendommen die deel uitmaken van een tentoonstelling van objecten van wetenschappelijk, cultureel of historisch belang en die niet te koop worden aangeboden of beoogd zijn om te koop te worden aangeboden.
2. Het eerste lid laat artikel 18 en artikel 19, onderdelen a en b, onverlet.
()
Artikel 25. Bijlage
De aan dit Verdrag gehechte Bijlage is een integrerend onderdeel van het Verdrag.
()
Bijlage bij het Verdrag
Regelingen ter zake van enkele bepalingen van het Verdrag In deze Bijlage zijn de regelingen voor de desbetreffende bepalingen vervat.
()
Wat artikel 19 betreft
De uitdrukking entiteit" in onderdeel c heeft betrekking op de staat als een onafhankelijke rechtspersoon, een onderdeel van een federale staat, een staatkundig onderdeel, een agentschap of instantie van een staat of een andere onafhankelijke eenheid met rechtspersoonlijkheid.
De woorden eigendommen die verband houden met de entiteit" in onderdeel c dienen ruimer te worden opgevat dan als eigendom of bezit.
Artikel 19 laat onverlet de kwestie van piercing the corporate veil" (doorbraak van aansprakelijkheid), vragen betreffende een situatie waarbij een entiteit van een staat opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over haar financiële situatie of haar vermogensbestanddelen heeft verminderd teneinde te voorkomen dat vorderingen worden voldaan, of andere kwesties op dit gebied.
...
